dinsdag 28 juli 2026

Stofwolken en chimpansees in Ivoorkust


 ( volg ons ook op: https://www.polarsteps.com/GeertBeullens1/21327663-van-de-mombassa-naar-kinshasa )

Yes, aangekomen in Ivoorkust waar de wegen alvast een pak beter zijn dan in Guinee. Niet allemaal uiteraard. Dat de N7 die tussen de grens van Liberia en het Tai-woud loopt niet in beste staat was, wisten we. Maar dat het de grootste uitdaging van onze trip zou worden was een complete verrassing. 300 kilometer oranjerood stof, diepe slijkplassen van afgelopen stortbuien en de ene poepsteile klim van 10 procent na de andere. We ploeterden, stoempten, harkten, knoeften, duwden, trokken, kreufelden met moeite 50 kilometer per dag vooruit . We zagen eruit als oranje uitgeputte orks of volgestofte marsreizigers.  Kinderen liepen huilend weg als we langs puften en de nonnen sloten zich op in hún missiepost als we aanklopten voor overnachting. 

En dat allemaal om uiteindelijk aan te komen in de Tai Forest Lodge waar we de chimpansees wilden gaan bekijken. 

Niet simpel. Het kostte ons na het uitputtende fietsavontuur nog een nachtelijke boottocht van twee uur alvorens we op onze slaapplek aankwamen en om half vijf ‘‘s morgens konden we alweer uit de veren om te voet verder de jungle in te trekken tot onder de bomen waar de apen lagen te slapen. 

Het wakker worden van de beesten is een heel spektakel. Eerst doen ze allemaal hun behoefte waardoor het lijkt alsof het plaatselijk regent, dan beginnen de chimps nootjes en vruchten te knabbelen hoog in  de kruinen en vervolgens dalen ze de stammen af om met veel kabaal en geroep aan de dag te beginnen. De groep chimpansees is gehabitueerd, oftewel gewend aan menselijke aanwezigheid. Je kan ze van dichtbij door de jungle volgen, als het  lukt hen bij te houden tenminste. Behoorlijk Indrukwekkend om al dat apentumult te aanzien en te aanhoren én de moeite om zoveel kilometer door het zand te stuiven.

De volgende dag stoften we verder over de rode kronkelpaden en zetten per ongeluk het plaatselijke gendarmeriecorps op stelten. Op de weg staan verschillende controleposten en toen we de laatste vertelden dat we tot in het stadje Tabou zouden rijden, maar vervolgens de bossen indraaiden om bij een familie rubberboeren onze tent neer te zetten, (Ze boden ons daar een emmer warm water aan om te douchen - nooit gedacht dat je zó blij kon zijn met een emmer warm water) barstte de paniek los bij de gendarmen. We waren niet meer aangekomen bij de volgende controlepost, dus werden we als zorgwekkende verdwijning doorgegeven. Alle agenten moesten tot een kot in de nacht op post blijven en er werd zelfs een zoekactie op touw gezet. Dat vernamen we de volgende ochtend toen de gendarmerie ons behoorlijk slecht geluimd en met kleine oogjes om de paspoorten vroeg. 

In elk geval goed om te weten dat de arm der wet hier een oogje in het zeil houdt wat onze veiligheid betreft. 

Ondertussen naderden we het einde van de eindeloos lange duivelse stofboel die de N7 was. 

Nog nooit zo blij geweest met in de verte de betongrijze aanblik van asfalt. 

Als op boter rolden we verder tot we aankwamen 

op de terreinen van SOGB, een rubberplantage waar we dankzij onze dierbare makker Ludo, twee dagen kunnen bekomen en alweer als koningen verwend worden. Het blijft toch een van de meest opvallende dingen op deze Afrika-trip: waar je ook komt, die warme onbaatzuchtige eindeloze hartelijke gastvrijheid waarmee we overal ontvangen worden. Waar zijn we dat in Europa kwijt geraakt? 

In elk geval, genieten van de rust nu en morgen weer verder, richting Abidjan!

zondag 12 juli 2026

Buiktyfus en bosolifanten


Diarree, buikloop, spetterkal, schijterij. Duizend tinten bruin, ge denkt: het zal mij wel niet overkomen maar één verkeerde hap van een met vuil water gewassen maniokwortel, of een vuile pinda, of een slecht gekookt stuk vis en het is spijs euh … prijs. 

Al een week lang waren we de bruine waarheid aan het negeren en fietsten verder door het nog steeds onwaarschijnlijk schone decor van Guinee Forestière. Het tropisch regenwoud op zijn adembenemendst, nu met het regenseizoen in duizend weelderige tinten groen. Af en toe een korte sanitaire noodstop in de bossen, maar elke dag namen de krachten verder af ondanks de duizenden verse ananassen vol vitamines langs de weg. 

Ten einde raad hebben we voor de eerste keer op 8000 kilometer een taxi gezocht, de fietsen op het dak gezwierd en ons laten vervoeren naar Seredou. Een geweldige vriend had ons verzekerd dat daar nonnen zaten die de beste paté van heel Afrika maakten, en zo kwamen we terecht in het centre agropastoral bij de zusters Ursulinnen die de mensen uit de buurt instrueren in biologisch landbouwen en zieke Westerlingen op de fiets onderdak, rust en inderdaad geweldige paté geven. 

Ook aanwezig in het dorp: een centre de santé waar we even binnenwipten om onze gezondheidstoestand te laten evalueren. 

Twee welgevormde hulpverpleegsters in witte schort duwden ons een zakje en een half stuk stro in de handen en geboden ons naar de ‘douche’ te gaan om het zakje te vullen met een  staaltje voor het stoelgangonderzoek onder de microscoop. Bon, dat gebeurde allemaal en even later mochten we op de bureau bij de hoofdverpleger komen voor de diagnose. Ongeveer het hele centre de santé kwam de consultatie meevolgen. De welgevormde dames zetten zich op het patiëntenbed, een andere verpleger schoof mee aan de bureau voor extra advies en nog een vijfde hulpverlener kwam voor de gezelligheid gewoon een dutje doen op het bed. Bleek al meteen dat de twee dames, peppie en kokkie zullen we ze noemen, de stalen verwisseld hadden. Welke was van monsieur, welke van madame. Bon, na veel gepalaver was er een diagnose: buiktyfus. 

Geen idee of het klopt maar we kregen een karrenvracht pillen en antibiotica-kuren mee en de wijze raad een paar dagen te rusten.

Gelukkig is hier wel een en ander te beleven. We zitten vlak bij het beschermde woud Ziama, waar ondermeer dwergnijlpaarden, chimpansees en bosolifanten leven. 

Vanmorgen maakten we kennis met Locu, een jonge bosolifant die de dorpen onveilig maakt omdat hij eten wil stelen maar een gehandicapte slurf heeft zodat hij niets kan  oppakken en uit onslurfigheid alles omstoot en vernielt. Vannacht had hij in het buurdorp de rijstoogst en de palmolieproductie van het hele seizoen om zeep geholpen. 

Samen met parkwachter Bruno gingen we de dorpelingen kalmeren en het beestje wat papaya’s geven zodat hij voorlopig niet  meer op strooptocht moet. Hopelijk kan hij snel naar het sanctuary in Liberia waar hij ontsnapt is, zodat de rust in de dorpen hier wederkeert. 

En hopelijk eindelijk doet de antibiotica snel zijn werk zodat we met een frisse kont verder kunnen. De grens van het volgende land is nog maar een paar dagen verder: Côte d’ivoire.

Conackry


We hadden onze fietsen laten staan in het stadje Mamou, bij de familie van onze Borgerhoutse vriendin Aminata en dachten een taxi te nemen naar de hoofdstad Conackry. De vakantie van fietsmakker Patje zit erop, zijn vliegtuig wacht en zelf moesten we nog wat visa-toestanden regelen. Eén taxi in Guinee is een avontuur. Onze driver was nog maar tien minuten onderweg en had al een politiebarricade ondersteboven gereden waarop een levensgevaarlijke achtervolging met de gendatmerie volgde. Uiteindelijk volgde,nadat hij was klemgereden, een Afrikaanse discussie van anderhalf uur, waaruit bleek dat hij zijn vervoerstax niet betaald had. Na veel gepalaver konden we dan toch vertrekken en reed de man braafjes naar de hoofdstad.

conackry is best een fijne stad. Veel kleiner en bijgevolg een stuk overzichtelijker dan Dakar, en de immer vriendelijke en gemoedelijke Guinezen zorgen voor de goeie ambiance. Patje ging op kartonjacht om een doos te knutselen om zijn fiets te vervoeren, liet zich nog effe proper scheren in een barbierkraampje op straat. Zijn schort was een vlag van Brabants witbier en nam afscheid na een fijne intense fietstocht door Senegal en Guinee. Merci Patje om ons te vergezellen!

De rest van de dagen gingen we verder op ontdekking in conackry. We gingen rondzwerven op de grootste openluchtvmarché van west-Afrika. De marché Madina, verschillende hectaren met een wirwar van bloedhete overbevolkte modderstraatjes waar je alles kan vinden. Van ventilators met zonnepanelen tot levende parelhoenen. We voeren met een Pirogue naar de paradijselijke eilandjes op een steenworp  van de kust waar we ontvangen werden met de Belgische vlag, er bleek een Belg met een restaurant te zitten en we genoten van een namiddag op een verlaten Bountystrandjje . We gingen eten in het aquarium, het sjiekte restaurant van Conackry waar de Guinese Beaumonde zich  in blinkende paarse jurken komt showen en op een avond 3 gemiddelde maandlonen van hun landgenoten naar binnenschranst, zelfs de president komt er om 5 uur ‘‘s morgens zijn whisky drinken. Toen Rein de Libanese eigenaar wees op de belachelijk hoge prijs die we moesten betalen, kregen we prompt een gratis etentje aangeboden, trok hij een fles van zijn duurste Saint Emilion open, en werden er levenslange banden gesmeed tussen de libanese connectie in Conackry en twee verlopen fietsers uit Borgerhout. Het regelen van ons visum voor Côte d’Ivoire liep als een fluitje van een cent. Zo vriendelijk en wat een verschil met de ambassade van Guinee in Dakar waar we de beambte dertig euro smeergeld moesten betalen en als halve criminelen werden behandeld. 

En toen namen we een taxi terug naar Mamou. Deze keer geen halve zot die politiebarricades omver reed maar een hele zot van amper 18 jaar, duidelijk contact gestoord, die tegen 110 kilometer per uur over de razend drukke slechte wegen terug naar Mamou scheurde waar we gelukkig heelhuids aankwamen. In het vervolg blijven we braaf en veilig op de fiets.

De paar dagen Conackry hebben ons wel veel deugd gedaan en vooral nieuwe frisse moed gegeven om het tweede deel van onze tocht aan te vangen. Dus Congo, Here we come…