woensdag 2 september 2026

In Benin


Benin! Het land waar ze de kippen roos verven zodat roofvogels denken dat het 🦩 🦩 zijn en ze met rust laten. Maar ook de bakermat van de voodoo. Het hele leven is er doordrenkt van. Borden van traditionele voodoodokters overal  langs de kant van de weg, hier en daar een kraampje met voodooprullaria. 

Genoeg redenen om af te zakken naar Ouidah waar jaarlijks in januari het vodoofestival georganiseerd wordt. Aangezien het totaal niet januari is, was de voodoo-ambiance behoorlijk minder in het stadje. 

Om iets meer te weten te komen over ‘de Vodun’ zakten we af naar de befaamde pythontempel. Wat een tegenvaller. In een gloednieuw modern complex, helemaal geen tempel, met een grote toeristenparking kregen we van een gids een flutuitleg in koeterFrans en als apotheose ongevraagd een python in onze nek gelegd. Rein heeft het al moeilijk met kikkers, laat staan met pythons. 

Dan maar naar ‘Le foret sacré’ waar ooit een koning in een boom is veranderd en beeltenissen van voodoo-godheden tussen het struikgewas tronen. 2000 franc extra als je foto’s wil nemen zegt de ticketman. Bleek dat de beelden door een of andere plaatselijke moderne kunstenaar van een bedenkelijk knoopsgat in elkaar geflanst waren en bovendien behoorlijk vervallen. 

Het meest authentieke voodooverhaal kregen we van een café-baas die ons uitlegde dat de naakte gekken die hier overal naast de weg rondzwerven door voodooprietsers vervloekte sukkelaars zijn en dat hij ons op onze weg naar Congo ging volgen in de hoedanigheid van een mug. 

Ouidah is een mooi koloniaal stadje rond een oud Portugees slavenfort dat het toerisme volop omarmt met haar twee belangrijkste troeven; voodoo en slavernij. Voordeel: alles wordt opgeknapt en schoongemaakt. Zelfs midden in de nacht zijn de straatvegers druk in de weer. Nadeel: overal zwerven malafide figuren rond die u met gladde praatjes geld uit de zakken proberen te troggelen. Iets wat we in heel Afrika zo goed als nooit meemaakten m, behalve in toeristenholen zoals … Ouidah. 

Met een dubbel gevoel trokken we verder richting Cotonou, een échte stad, waar we enkele dagen mochten overnachten in het appartement van Machteld en Oscar, de sympathieke Beninse papa van Seppe, de beste vriend van Camiel , de geweldige zoon van Rein. Het werd een zalige kleine vakantie in onze vakantie, We aten er ‘frieten met ballekes’ in de Brussels bar, we werden uitgenodigd op de koffie bij Romuald Hazoume, naast vooraanstaand kunstenaar ook voorzitter van de Wielerfederatie van Benin - die ons meteen ook voorstelde aan het nationale wielerteam en ons twee kartonnen fietsdozen cadeau deed, en we bezochten Gavié, een paalwoningendorp op een meer waar de mensen per pirogue naar de bakker gaan. Momenteel zijn onze fietsen verpakt in de kartonnen dozen van Romuald en zitten we in het vliegtuig naar Kameroen. Jawel, we slaan Nigeria over omwille van ontvoeringen, waanzinnige verkeersdrukte, aanslagen en tal van ander onheil. Kortom; we zijn ni geire in Nigeria. ( Bedankt voor de woordspeling, Lief)

Togo, the place to go…


Togo, wat een klein sympathiek landje. Dat hebben natuurlijk vaker met kleine landjes, maar vanaf het moment dat wede grens over reden, waren we al volledig Togo-fan. Waarschijnlijk heeft dat er ook mee te maken dat we via het binnenland kwamen en niet via de hectisch drukke kustroute. In buurland Ghana hadden we besloten de laatste dagen via Volta-regio te rijden, een tip van brouwer Koen. Eén streek vol natuur, lagunes, watervallen en heuvels en in dat decor rolden we dus ook Togo binnen langs een rustige weg met een kleine grenspost. Aan de Ghanese kant zaten de grensofficiers op het gemakske  een kaartje te leggen, bridge waarschijnlijk want het is een Engelse ex-kolonie, en werden we door een metalen poort, geschilderd in de Ghanese kleuren vrolijk uitgewuifd. Dan volgde een kronkelend en hobbelig zandpad naar de Togolese grenswachters die onder een pergola gezellig zaten te keuvelen rond een fles rode wijn. Togo is een Franse ex-kolonie. De officier van dienst, troonde ons mee naar zijn kantoortje, lees: een sjofele en scheef ineengetimmerde barak, moest even zoeken naar een beduimelde zak grote stempels, fietsende Europeanen waren hier duidelijk een rariteit, en stempelde vervolgens met grote ernst ons paspoort vol. 

Na een tocht van een kleine twintig kilometer kwamen we aan in het stadje Kpalimé, waar Rein ineens tot de vaststelling kwam dat ze onderweg een fietstas was kwijtgeraakt met daarin levensnoodzakelijke spullen: een slaapzak, enkele powerbanks, onze elektrische fietspomp en last but not least… de tondeuse. Bon dingen waar je uiteraard zonder kan, maar lastig als eraan gewend bent en ineens niet meer hebt. Mijn allerliefste deerne besloot de dag nadien dan maar met een brommertje de route terug te doen op zoek naar de zak. De kans leek ons minimaal maar als ge het niet probeert, …  

Al snel bleek dat het op het eerste zicht chaotische Afrika een pak beter georganiseerd was dan het lijkt. De brommerbestuurder belde meteen naar de chef de village’s van de dorpen onderweg die meteen volk optrommelden en op zoek gingen, er werd zelfs een annonce klaargemaakt ‘zwarte fietstas verloren’ om af te roepen via een grote piloon met luidsprekers op een heuvel - elk dorp heeft er zo eentje om in noodgevallen tamtamgewijs en razendsnel de hele regio te alarmeren. Uiteindelijk reed Rein helemaal terug tot aan de Togolese grenspost waar de grenswachter zwaaiend met de fietstas klaarstond. Een klein mirakel was geschied. 

De volgende dag trokken we rustig verder langs de Togolese wegen, dronken de zelfgemaakte likeur ‘tsjoel’ in het plaatselijk café van mama Céline - lees: vier houten palen met een zeil over en twee krakkemikkige banken langs de zijkant waar mama Celine met een grote pot tussen haar benen de klanten voorzag van een halve kalebas ‘tsjoek’. Verder sliepen we met de tent op prachtige plekjes, hadden we heel veel lol met de plaatselijke Togolese dorpelingen. Allemaal geboren babbelaars met een stevig gevoel voor humor, aten we in olie gebakken suikerpistolets en kwamen we er eindelijk achter waarom we sinds Guinee geen kat meer op straat zagen. Ja, die beestjes worden hier met huid en haar geroosterd en vervolgens in een  pittig sausje bij de foufou geserveerd. Ondertussen zijn we alweer aangekomen bij de grens van Benin en kijken we er naar uit om binnen 10 kilometer te kunnen zeggen: ik ben in Benin. Ook wel een beetje bang: Benin is het land van de voodoo.

We gaan naar Ghana gaan

We gaan naar Ghana gaan gaan’ zei Rein toen we aan de grens met jawel, Ghana, aankwamen. Na Ivoorkust reden we het land van ‘the black star’ binnen. Na 6000 kilometer Frans praten, was het vanaf nu in het Engels te doen. Ghana, ook wel Afrika voor beginners genoemd, staat alweer een stapje verder op de ‘welvaartsladder’,  hier rijdt ongeveer iedereen met de auto ipv met een roestige fiets of de typische apsonic motseklet, de Ghanezen wonen in grote American villa’s met golfplaten daken in plaats van in lemen hutten met stro en dragen jeansbroeken met pepsi-polo’s in plaats van gekleurde Afrikaanse lendendoeken met t-shirts van FC Barcelona. 

Drie dingen vielen ons meteen op: heel Ghana staat vol kerken van allerlei Christelijk slag met bijhorende zelfverklaarde profeten in showbizzkostuum, de straten lopen vol zotten zonder kleren aan en overal rijden er ijsventers op een bakfiets vol crème glace en yoghurt rond. In tegenstelling tot Ivoorkust is er langs de kustweg amper natuur en groen te bespeuren, zelfs geen schamele plantage. Het is een drukke Ghanese versie van de Boomse Steenweg waarop ze bovendien volop aan het werken aijn om er nog een grotere en bredere Boomse steenweg van te maken. Waarschijnlijk is het Ghanese binnenland een pak prachtiger maar we hadden besloten de kortste weg naar hoofdstad Accra te nemen en dat bleek meteen ook de lelijkste. Gelukkig werd al die lelijkheid ruimschoots gecompenseerd door de genereuze gastvrijheid en vriendelijk van de Ghanezen. We werden ontvangen door de geweldige Tabitha, een arts in het ziekenhuis van het stadje Capecoast, die nog in het Tropisch instituut in Antwerpen gewerkt heeft en getrouwd is met Glen uit Rijkevorsel die haar ten huwelijk had gevraagd in café de Klok achter het Centraal station, we sliepen met ons tentje in de tuin van Lena, een sympathieke Ghanese lerares Engels die samen met haar guitige moeder, een stel kippen en wat dwerggeiten in een gloednieuw huis woont, we brachten de nacht door in een bungalow bij de heerlijke Italiaanse reiziger-filosoof Franko m, die beweerde dat hij vier potten met verf  had staan waar je volgens een oud sjamanistisch recept onzichtbaar van wordt en we kwamen in Accra terecht bij Koen, de fantastische ingenieur, die bij gebrek aan goed bier in Ghana rap even zijn eigen brouwerij neerplantte en er ondertussen het razend populaire Tales-bier brouwt. 

We werden opnieuw overal met open armen als koningen ontvangen. Wat een heerlijke eer alweer. 

Ondertussen liepen we ook nog even langs bij het slavenkasteel in Cape Coast waar we tussen een groep zwarte Amerikaanse toeristen ondergedompeld in de onfrisse geschiedenis van de - hier - Engelse slavenhandel.  

En in Accra gingen we langs bij de wereldbefaamde fantasy-doodskisten. Daar bestellen mensen doodskisten die met hun beroep of hobby te maken hebben. Een verpleegster wordt in een spuit begraven, een visser in een vis, een bankbediende in een bundel bankbiljetten en een alcoholieker in een whisky-fles. Wij bestelden alvast twee fietsen die zullen ineen getimmerd worden als het zover is.  Maar dat is hopelijk niet voor meteen. 

Eerst moeten we nog naar de volgende landen: Togo en Benin.

In de ban van Abidjan


Abidjan, de volgende grote Afrikaanse superstad op onze trip. We volgen de kustweg naar de Ivoriaanse hoofdstad door de eindeloze rubber-, palmolie- en cacaoplantages. 

Een landwerker met machete vraagt of we geen stuk chocolade bijhebben. De man kapt de hele dag cacaobonen maar kan zich geen chocolade veroorloven. Te duur en amper te verkrijgen in Ivoorkust, ironisch genoeg de grootste exporteur van cacao. 

Wat verderop rijden we voorbij een dorpje waar vrolijke muziek weerklinkt. Het is zondag en de mis wordt gevierd op zijn Afrikaans. We besluiten een kijkje te gaan nemen, maar nog voor we het kerkje goed en wel binnen zijn, worden we gebombardeerd tot special guests. Ik krijg meteen door de priester een microfoon onder de neus geduwd en moet ter plekke een preek verzinnen. Met wat gebrabbel over fraternité en hospitalité en af en toe een Dieu Merci, trek ik me uit de slag. Maar dan is het nog niet gedaan. De priester besluit een danklied aan ons op te dragen en binnen de kortste keren staat de hele kerk, inclusief wijzelve te dansen rond het altaar. 

Grondig gezegend springen we terug de fiets op en rijden we verder. Langs de kant van de weg verkopen venters zwart gerookte vis en nog levende schildpadden. ‘Gewoon een vuurtje onder het schild stoken en dan uitlepelen. Très delicieux’ . We bedanken de schildpaddenkerel vriendelijk en besluiten in Agneby te blijven, het laatste dorp voor Abidjan. We mogen onze tent neerzetten op het schoolplein waar alle kinderen uit de buurt toestromen om vol verwondering te komen kijken hoe we pasta koken op ons gasvuurtje. We zijn meteen ‘’Tonton’’ en ‘Tati’ en worden vriendelijk verzocht de rest van de week in het schooltje te blijven met onze tent. 

Een mooi aanbod maar we willen snel naar Abidjan dus we vertrekken de volgende ochtend vroeg naar de hoofdstad. Moeilijk was dat niet want om zeven uur stonden onze nieuwe vriendjes al te kloppen op het tentzeil. 

De laatste twintig kilometer voor je een Afrikaanse megastad binnenrijdt zijn altijd bijzonder slopend. Het verkeer wordt alsmaar drukker en nerveuzer. Honderden taxi’s en bussen stoppen om de haverklap langs de kant van de weg, brommers racen in alle richtingen rakelings langs je neusvleugels, marktkraampjes en duizenden passanten blokkeren de straten en de wegen worden alsmaar groter en breder, tot we ineens op een heuse autostrade belanden. Met péage en al. Daar worden we door een vriendelijke maar kordate agent prompt teruggestuurd en dus moeten we - op politiebevel - weer de razend drukke snelweg op in  tegengestelde richting. Gelukkig vonden we uiteindelijk een  fietspad dat ons via een lange brug over de lagune die dwars door Abidjan loopt tot het centrum van de stad bracht. 

En wat een centrum, Abidjan werd vroeger ‘petit Paris’ genoemd, en dat is meteen duidelijk wanneer je de stad binnenkomt. De auto’s die er rondtoeren zijn poepsjiek, de stadsivorianen dragen hier geen verkleurd shirt van Barca meer boven hun gescheurde short maar nette pakken en hippe sneakers.  Overal verschijnen Franse winkels: Fnac, Auchan, Carrefour, Boulangerie Paul en uiteraard den Decathlon. 

Die laatste winkel doken we meteen binnen want na een half jaar rondfietsen door weer en wind, zijn onze schoenen zo hard beginnen stinken dat de muggen dood uit de lucht vallen  als je ze naast de tent zet. Vervanging is dus broodnodig. 

Er zijn gelukkig ook stomerijen en droogkuizen te vinden in Abidjan zodat we onze donzen slaapzakken eindelijk eens konden laten wassen. Ook dat werd tijd. Toen Rein de slaapzakken uit hun zak haalde (vooral de mijne) en op de toog legde, viel het voltallige winkelpersoneel quasi flauw van de stank. 

De dagen daarop hielden we ons vooral bezig met visa regelen voor de volgende landen op ons pad en gingen we wat rondsnuisteren in de stad waar wel wat bijzondere architectuur te vinden is. De prachtige Sint Paul kathedraal met zijn wonderlijke glasramen vol koloniale taferelen. Tour F , nog in aanbouw, maar nu al is deze reuzensigaar met zijn 421 meter de hoogste toren van Afrika. En uiteraard ‘La piramide’ een brutalistisch volledig vervallen gebouw uit de seventies in de vorm van -wat dacht u - een piramide. 

We moesten wel wat research doen want ‘’s avonds hadden we via vriendin Barbara een afspraak versierd met Issa Diabate, zowat de belangrijkste én sympathiekste architect van heel west-Afrika , die dolgraag alles wilde weten over onze fietsavonturen. Het werd een heerlijke avond in gezelschap van een heerlijke man en behoorlijk wat bier waar we opnieuw weer heel wat nieuwe aspecten leerden over het eindeloos interessante en mysterieuze continent dat Afrika is. 

Uiteindelijk namen we tevreden en voldaan een taxi terug naar onze air bnb om daar onze volle blazen te ledigen . Tegen een muurtje plassen doe je beter niet in Abidjan. Dan heb je een boete van 5000 franc aan je broek. Oftewel omgerekend: 7,5 euro. Astemblieft!


dinsdag 28 juli 2026

Stofwolken en chimpansees in Ivoorkust


 ( volg ons ook op: https://www.polarsteps.com/GeertBeullens1/21327663-van-de-mombassa-naar-kinshasa )

Yes, aangekomen in Ivoorkust waar de wegen alvast een pak beter zijn dan in Guinee. Niet allemaal uiteraard. Dat de N7 die tussen de grens van Liberia en het Tai-woud loopt niet in beste staat was, wisten we. Maar dat het de grootste uitdaging van onze trip zou worden was een complete verrassing. 300 kilometer oranjerood stof, diepe slijkplassen van afgelopen stortbuien en de ene poepsteile klim van 10 procent na de andere. We ploeterden, stoempten, harkten, knoeften, duwden, trokken, kreufelden met moeite 50 kilometer per dag vooruit . We zagen eruit als oranje uitgeputte orks of volgestofte marsreizigers.  Kinderen liepen huilend weg als we langs puften en de nonnen sloten zich op in hún missiepost als we aanklopten voor overnachting. 

En dat allemaal om uiteindelijk aan te komen in de Tai Forest Lodge waar we de chimpansees wilden gaan bekijken. 

Niet simpel. Het kostte ons na het uitputtende fietsavontuur nog een nachtelijke boottocht van twee uur alvorens we op onze slaapplek aankwamen en om half vijf ‘‘s morgens konden we alweer uit de veren om te voet verder de jungle in te trekken tot onder de bomen waar de apen lagen te slapen. 

Het wakker worden van de beesten is een heel spektakel. Eerst doen ze allemaal hun behoefte waardoor het lijkt alsof het plaatselijk regent, dan beginnen de chimps nootjes en vruchten te knabbelen hoog in  de kruinen en vervolgens dalen ze de stammen af om met veel kabaal en geroep aan de dag te beginnen. De groep chimpansees is gehabitueerd, oftewel gewend aan menselijke aanwezigheid. Je kan ze van dichtbij door de jungle volgen, als het  lukt hen bij te houden tenminste. Behoorlijk Indrukwekkend om al dat apentumult te aanzien en te aanhoren én de moeite om zoveel kilometer door het zand te stuiven.

De volgende dag stoften we verder over de rode kronkelpaden en zetten per ongeluk het plaatselijke gendarmeriecorps op stelten. Op de weg staan verschillende controleposten en toen we de laatste vertelden dat we tot in het stadje Tabou zouden rijden, maar vervolgens de bossen indraaiden om bij een familie rubberboeren onze tent neer te zetten, (Ze boden ons daar een emmer warm water aan om te douchen - nooit gedacht dat je zó blij kon zijn met een emmer warm water) barstte de paniek los bij de gendarmen. We waren niet meer aangekomen bij de volgende controlepost, dus werden we als zorgwekkende verdwijning doorgegeven. Alle agenten moesten tot een kot in de nacht op post blijven en er werd zelfs een zoekactie op touw gezet. Dat vernamen we de volgende ochtend toen de gendarmerie ons behoorlijk slecht geluimd en met kleine oogjes om de paspoorten vroeg. 

In elk geval goed om te weten dat de arm der wet hier een oogje in het zeil houdt wat onze veiligheid betreft. 

Ondertussen naderden we het einde van de eindeloos lange duivelse stofboel die de N7 was. 

Nog nooit zo blij geweest met in de verte de betongrijze aanblik van asfalt. 

Als op boter rolden we verder tot we aankwamen 

op de terreinen van SOGB, een rubberplantage waar we dankzij onze dierbare makker Ludo, twee dagen kunnen bekomen en alweer als koningen verwend worden. Het blijft toch een van de meest opvallende dingen op deze Afrika-trip: waar je ook komt, die warme onbaatzuchtige eindeloze hartelijke gastvrijheid waarmee we overal ontvangen worden. Waar zijn we dat in Europa kwijt geraakt? 

In elk geval, genieten van de rust nu en morgen weer verder, richting Abidjan!

zondag 12 juli 2026

Buiktyfus en bosolifanten


Diarree, buikloop, spetterkal, schijterij. Duizend tinten bruin, ge denkt: het zal mij wel niet overkomen maar één verkeerde hap van een met vuil water gewassen maniokwortel, of een vuile pinda, of een slecht gekookt stuk vis en het is spijs euh … prijs. 

Al een week lang waren we de bruine waarheid aan het negeren en fietsten verder door het nog steeds onwaarschijnlijk schone decor van Guinee Forestière. Het tropisch regenwoud op zijn adembenemendst, nu met het regenseizoen in duizend weelderige tinten groen. Af en toe een korte sanitaire noodstop in de bossen, maar elke dag namen de krachten verder af ondanks de duizenden verse ananassen vol vitamines langs de weg. 

Ten einde raad hebben we voor de eerste keer op 8000 kilometer een taxi gezocht, de fietsen op het dak gezwierd en ons laten vervoeren naar Seredou. Een geweldige vriend had ons verzekerd dat daar nonnen zaten die de beste paté van heel Afrika maakten, en zo kwamen we terecht in het centre agropastoral bij de zusters Ursulinnen die de mensen uit de buurt instrueren in biologisch landbouwen en zieke Westerlingen op de fiets onderdak, rust en inderdaad geweldige paté geven. 

Ook aanwezig in het dorp: een centre de santé waar we even binnenwipten om onze gezondheidstoestand te laten evalueren. 

Twee welgevormde hulpverpleegsters in witte schort duwden ons een zakje en een half stuk stro in de handen en geboden ons naar de ‘douche’ te gaan om het zakje te vullen met een  staaltje voor het stoelgangonderzoek onder de microscoop. Bon, dat gebeurde allemaal en even later mochten we op de bureau bij de hoofdverpleger komen voor de diagnose. Ongeveer het hele centre de santé kwam de consultatie meevolgen. De welgevormde dames zetten zich op het patiëntenbed, een andere verpleger schoof mee aan de bureau voor extra advies en nog een vijfde hulpverlener kwam voor de gezelligheid gewoon een dutje doen op het bed. Bleek al meteen dat de twee dames, peppie en kokkie zullen we ze noemen, de stalen verwisseld hadden. Welke was van monsieur, welke van madame. Bon, na veel gepalaver was er een diagnose: buiktyfus. 

Geen idee of het klopt maar we kregen een karrenvracht pillen en antibiotica-kuren mee en de wijze raad een paar dagen te rusten.

Gelukkig is hier wel een en ander te beleven. We zitten vlak bij het beschermde woud Ziama, waar ondermeer dwergnijlpaarden, chimpansees en bosolifanten leven. 

Vanmorgen maakten we kennis met Locu, een jonge bosolifant die de dorpen onveilig maakt omdat hij eten wil stelen maar een gehandicapte slurf heeft zodat hij niets kan  oppakken en uit onslurfigheid alles omstoot en vernielt. Vannacht had hij in het buurdorp de rijstoogst en de palmolieproductie van het hele seizoen om zeep geholpen. 

Samen met parkwachter Bruno gingen we de dorpelingen kalmeren en het beestje wat papaya’s geven zodat hij voorlopig niet  meer op strooptocht moet. Hopelijk kan hij snel naar het sanctuary in Liberia waar hij ontsnapt is, zodat de rust in de dorpen hier wederkeert. 

En hopelijk eindelijk doet de antibiotica snel zijn werk zodat we met een frisse kont verder kunnen. De grens van het volgende land is nog maar een paar dagen verder: Côte d’ivoire.

Conackry


We hadden onze fietsen laten staan in het stadje Mamou, bij de familie van onze Borgerhoutse vriendin Aminata en dachten een taxi te nemen naar de hoofdstad Conackry. De vakantie van fietsmakker Patje zit erop, zijn vliegtuig wacht en zelf moesten we nog wat visa-toestanden regelen. Eén taxi in Guinee is een avontuur. Onze driver was nog maar tien minuten onderweg en had al een politiebarricade ondersteboven gereden waarop een levensgevaarlijke achtervolging met de gendatmerie volgde. Uiteindelijk volgde,nadat hij was klemgereden, een Afrikaanse discussie van anderhalf uur, waaruit bleek dat hij zijn vervoerstax niet betaald had. Na veel gepalaver konden we dan toch vertrekken en reed de man braafjes naar de hoofdstad.

conackry is best een fijne stad. Veel kleiner en bijgevolg een stuk overzichtelijker dan Dakar, en de immer vriendelijke en gemoedelijke Guinezen zorgen voor de goeie ambiance. Patje ging op kartonjacht om een doos te knutselen om zijn fiets te vervoeren, liet zich nog effe proper scheren in een barbierkraampje op straat. Zijn schort was een vlag van Brabants witbier en nam afscheid na een fijne intense fietstocht door Senegal en Guinee. Merci Patje om ons te vergezellen!

De rest van de dagen gingen we verder op ontdekking in conackry. We gingen rondzwerven op de grootste openluchtvmarché van west-Afrika. De marché Madina, verschillende hectaren met een wirwar van bloedhete overbevolkte modderstraatjes waar je alles kan vinden. Van ventilators met zonnepanelen tot levende parelhoenen. We voeren met een Pirogue naar de paradijselijke eilandjes op een steenworp  van de kust waar we ontvangen werden met de Belgische vlag, er bleek een Belg met een restaurant te zitten en we genoten van een namiddag op een verlaten Bountystrandjje . We gingen eten in het aquarium, het sjiekte restaurant van Conackry waar de Guinese Beaumonde zich  in blinkende paarse jurken komt showen en op een avond 3 gemiddelde maandlonen van hun landgenoten naar binnenschranst, zelfs de president komt er om 5 uur ‘‘s morgens zijn whisky drinken. Toen Rein de Libanese eigenaar wees op de belachelijk hoge prijs die we moesten betalen, kregen we prompt een gratis etentje aangeboden, trok hij een fles van zijn duurste Saint Emilion open, en werden er levenslange banden gesmeed tussen de libanese connectie in Conackry en twee verlopen fietsers uit Borgerhout. Het regelen van ons visum voor Côte d’Ivoire liep als een fluitje van een cent. Zo vriendelijk en wat een verschil met de ambassade van Guinee in Dakar waar we de beambte dertig euro smeergeld moesten betalen en als halve criminelen werden behandeld. 

En toen namen we een taxi terug naar Mamou. Deze keer geen halve zot die politiebarricades omver reed maar een hele zot van amper 18 jaar, duidelijk contact gestoord, die tegen 110 kilometer per uur over de razend drukke slechte wegen terug naar Mamou scheurde waar we gelukkig heelhuids aankwamen. In het vervolg blijven we braaf en veilig op de fiets.

De paar dagen Conackry hebben ons wel veel deugd gedaan en vooral nieuwe frisse moed gegeven om het tweede deel van onze tocht aan te vangen. Dus Congo, Here we come…